vrijdag 05 januari 2018 16:36

De liturgie in onze gemeente

Gemeente, ‘Ik zou er een voorstander van zijn, dat de eredienst in een (wijk)gemeente bijvoorbeeld op wijkavonden ter sprake werd gebracht.’, zo schrijft ds. J. Smit (In: J. van der Graaf (red.), Ere Wie ere toekomt. Wanneer de gemeente samenkomt. Heerenveen 2002, p. 58). En dat doen we op deze avond onder het kopje ‘De liturgie in onze gemeente’, waarbij ik direct aanteken dat ik – omwille van de tijd en het uitgebreide thema – niet uitvoerig kan zijn.

Liturgie

Het woordje ‘liturgie’ klinkt ons bekend in de oren. Soms ontvang je bijvoorbeeld in een huwelijksdienst een gedrukte liturgie maar vaak is er geen liturgie en gaan de dingen zoals ze gaan. Wat betekent het woordje ‘liturgie’ eigenlijk? Van Dale omschrijft het als volgt: ‘het geheel van voorgeschreven plechtige handelin-gen van een kerkdienst of mis’. Er is een Roomse liturgie en een Anglicaanse en zoveel meer, maar vanavond staan we stil bij de protestantse variant. En dan in het bijzonder toegespitst op onze hervormde gemeente. Wie de website van onze kerkelijke gemeente bezoekt ziet onder het kopje Algemeen/Identiteit op de vraag ‘Wat voor gemeente is de hervormde gemeente van Nieuw-Lekkerland-dorp?’ bij punt 8 ‘Hoogachting voor de klassieke Bijbelvertaling, psalmberijming, liturgie.’ De term liturgie komt van een Grieks werkwoord. Dit woord betekende in de Griekse oudheid: ‘werk voor het volk’. En zo maakt het woord een ontwikkeling door. ‘Vanaf de tweede eeuw voor Christus werd het woord door de Joden ook gebruikt als aanduiding van de eredienst. Het begrip liturgie wordt heden onder ons gebruikt voor het samenkomen van de gemeente en de viering van haar ere-dienst. (…) Voorts kan liturgie óók omvatten de orde en de vorm van de samen-komst van de gemeente.’ (H. Roseboom, In: De liturgie in hervormde gemeenten. Uitgave vanwege het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond [2008], p. 17). De kerkenraad wil nu graag met u inzoomen op de afzonderlijke onderdelen van de kerkdienst.

 

Op welk moment begint de kerkdienst?

Dat is een goeie vraag. Begint de kerkdienst als de gemeente de voorzang zingt? Als de kerkenraad binnenkomt? Of als de ouderling van dienst de voorganger een handdruk geeft? Of als het ‘stil gebed’ plaatsvindt? ‘Het officiële antwoord is: op het moment dat de voorganger het ‘Onze Hulp’ uitspreekt.’ (G. van den Brink, In: P.J. Vergunst (red.), In de kerk, bij God. Aspecten van de reformatorische ere-dienst. Heerenveen 2014, p. 28). Dat is het officiële begin van de kerkdienst. Hoewel daar wel wat op af te dingen valt. Ds. A. Baas zegt: ‘De kerkdienst begint eerder dan we denken.’ (In: J. van der Graaf, A.w., p. 15). Er is als het goed is een voorbereiding in onze binnenkamer en ons huis vóórdat de gemeente samen-komt! De kerkdienst is niet alleen een zaak van de zondag, maar van de hele week. De zegen van de zondag begint ruim vóór de zondag.

Consistoriegebed

De kerkenraad komt in onze gemeente na de voorzang de kerk binnen. Voor die tijd komt men samen in de consistorie. De consistorie is ‘de vergaderzaal van de kerkenraad’ (Van Dale). Oorspronkelijk hebben ‘Predikant(en) en ouderlingen vol-gens hun ambt zitting in het consistorie; hun belangrijkste taak bestaat in het toezicht op de leer en het leven van de kerkleden.’ (H. Veldman, In: Christelijke Encyclopedie I. Kampen 2005, p. 377). Waarom komt de kerkenraad samen in de consistorie? Men komt samen om te bidden. Ds. H. Veldhuizen zegt: ‘Ik moet er niet aan denken dat ik predikant zou zijn bijvoorbeeld in een gemeente waar men het consistoriegebed niet kent.’ (In: J. van der Graaf, A.w., p. 9). Het con-sistoriegebed is niet vanzelfsprekend. In de begintijd van de Reformatie is het er waarschijnlijk niet geweest, mogelijk pas in de tijd van de Afscheiding (19e eeuw). De ouderling van dienst of de dienstdoende ouderling spreekt namens de kerkenraad het consistoriegebed uit. Wat is de inhoud van het consistoriegebed? De ouderling bidt om een goede dienst, dat God de voorganger sterkt en ook kan gedacht worden aan allen die in de dienst een taak hebben, waarbij geldt dat alles tot Gods eer en tot zegen van de gemeente mag zijn. De rest hoort thuis op de kansel; de ouderling is dus niet geroepen om voor alles en iedereen te bidden. Laat het consistoriegebed vooral kort en krachtig zijn.

 

Stilte

De kerkenraad komt met de predikant of de voorganger de gewijde ruimte bin-nen. Er heerst stilte. De vraag komt op of het voor de voorzang of het intochts-lied ook stil moet zijn. In ieder geval dient het besef aanwezig te zijn dat we niet thuis zijn maar in Gods huis en dat Hij ons samenroept. Er hoeft geen ‘grafstilte’ (A. Kuyper) te heersen. Waarom mag men elkaar niet begroeten of naar elkaars welstand vragen? Dit terzijde. De ouderling van dienst loopt voor de predikant of voorganger uit. Onder aan de kansel of de preekstoel drukt de ouderling zowel aan het begin als aan het einde van de dienst hem de hand. Het drukt de ver-antwoordelijkheid van de kerkenraad voor de dienst uit (vgl. Marius van Leeu-wen, In: Paul Oskamp en Niek Schuman (eindred.), De weg van de liturgie. Tradi-ties, achtergronden, praktijk. Zoetermeer 19982, p. 154). De voorganger is immers geen solist; hij staat er niet alleen voor. Hierna is er gelegenheid voor het ‘stil gebed’. ‘Vroeger was het de gewoonte dat het ‘stille gebed’ gedaan werd als men zijn of haar plaats ging innemen, de vrouwen deden het zittend, de mannen vaak staande.’ (In: M.J.G. van der Velden, e.a., Als wij samenkomen. Liturgie in de ge-reformeerde traditie. Zoetermeer 2000, p. 16). Vandaag ligt de nadruk op het ge-zamenlijke van het stil zijn. In deze gezamenlijkheid delen kerkenraad en predi-kant. Zij zijn ambtelijk aanwezig maar zijn tegelijk ook leden van de christelijke gemeente. De gemeente bidt op dit moment in stilte om een persoonlijke zegen.

 

Votum en groet

De predikant of voorganger betreedt de kansel of het spreekgestoelte. De officiële dienst begint zodra hij de eerste woorden van het votum uitspreekt. Van Dale noemt het votum een ‘zegenwens’, wat echter niet juist is. Votum komt uit het Latijn en betekent ‘wijding’. Om Latijnse woorden in de kerkdienst zoveel moge-lijk te vermijden gebruikt men in plaats daarvan ook het woord ‘bemoediging’ of het ‘Onze Hulp’. Het votum vindt u in Psalm 124:8, aangevuld met woorden uit Psalm 146:6 en Psalm 138:8 en luidt volledig: Onze hulp is in de Naam des HEE-REN, Die hemel en aarde gemaakt heeft, Die trouwe houdt in der eeuwigheid, en laat niet varen de werken Uwer handen. Daarmee zegt de voorganger: Welzalig hij, die al zijn kracht/ en hulp alleen van U verwacht (Ps.84:3, ber.). Hierna volgt de groet. Overigens is de groet een typisch Nederlandse gewoonte. ‘Men treft ze in buitenlandse kerken niet aan.’ (In: M.J.G. van der Velden, A.w., p. 17). Toch is de groet niet zomaar iets. Het markeert de overgang van het alledaagse leven naar de bijzondere ruimte die de christelijke eredienst is. De groet kan geschie-den met verschillende woorden ontleend aan de heilige Schrift. ‘Het gaat in elk geval om de begroeting van de gemeente door [!] de drieënige God, die toezegt aanwezig te zijn met zijn liefde en genade.’ (In: T. van Brienen, Oriëntatie in de liturgie. Zoetermeer 1992, p. 85). De handen van de liturg nemen hierbij de vorm aan van een begroeting, niet van een zegening zoals aan het einde van de dienst. Bij de groet zijn de ogen van de gemeente op de dienaar gericht. Groeten doe je immers niet met gesloten maar met geopende ogen. Je ontvangt de groet dus met open ogen.

 

Liederen

Na het ‘amen’ op de groet volgt een lied. De gemeente is niet passief en ook niet consumerend aanwezig. Zij is actief en betrokken op de dienst van de Heere. Prof.dr. H. Jonker zei ooit dat de gemeente in de samenkomst ‘in de gelegenheid gesteld wordt op de dynamiek van het Woord Gods te reageren in schuldbelijde-nis, aanbidding, lofprijzing, deelname aan het heil (sacramenten), gemeenschap, offerande en dienstbetoon’ (In: De liturgie in hervormde gemeenten, p. 20). Wat het lied betreft valt er tegenwoordig [ook door voorgangers] heel wat te kiezen. Het is goed om te stellen dat onze kerkenraad kiest voor het gezongen Woord van God. En met ds. H. van Ginkel zegt de kerkenraad vanavond: ‘Wie kiest voor een litur-gie met alleen maar psalmen, [en [12] ‘enige gezangen’ achter in ons kerkboek] hoeft zich daar namelijk ook vandaag helemaal niet voor te schamen. Ongeacht de kwaliteit van andere liederen en bundels [als Op Toonhoogte, Liedboek, Weer-klank om niet meer te noemen] is er meer dan voldoende reden om te kiezen voor de psalmen als het liedboek waar de gemeente in haar erediensten uit zingt. We zingen de psalmen niet bij gebrek aan een goed alternatief, maar omdat we deze liederen van de Heere God ontvangen om in wisselende omstandigheden en in alle toonaarden Zijn Naam zingend aan te roepen. We motiveren onze keuze dus niet negatief maar positief, niet tégen gezangen maar vóór de psalmen.’ (In: De liturgie in hervormde gemeenten, p. 21). Qua breedte en diepgang is het psalter onovertroffen, laten we elkaar daar blijvend aan herinneren en prioriteit geven aan de schat die de kerk van Godswege is toevertrouwd.

 

Wet en geloofsbelijdenis

Na het lied volgt de wet en in de avonddienst de geloofsbelijdenis. Traditioneel volgen we bij de wetslezing de Tien Geboden uit Exodus 20 en wat de geloofsbe-lijdenis aangaat voor de Twaalf Artikelen van het algemeen, ontwijfelbaar, chris-telijk geloof. Nu is de praktijk zo dat er soms van deze ongeschreven regel afge-weken wordt en dat de voorganger voor een alternatief kiest. Heel iets anders betreft het idee om de lezing van de wet helemaal achterwege te laten. Daarmee zou ‘een van de typerende kenmerken van de gereformeerde vorm van liturgie’ teloorgaan (vgl. M.J.G. van der Velden, A.w., p. 22). Dat kan niet de bedoeling zijn. Ds. J. van der Haar schrijft: ‘De Wet van God is bezig te verdwijnen uit de huidige samenleving, maar zelfs uit vele kerken en gemeenten. Een vreselijke zaak, waarover apostelen en profeten ontzet zouden zijn.’ (In: De Gereformeerde Eredienst. Utrecht 1961, p. 55). Wel is het zo dat de wet soms op een andere plaats in de liturgie komt. Zien we de wet met name als kenbron van de ellende (HC2) of vooral als regel van de dankbaarheid? Overigens hoeft het een het an-der niet uit te sluiten, maar theologisch zijn er wel accentverschillen. We zingen het liedboek en lezen de Tien Geboden als teken van blijvende verbondenheid met Israël. Beseft dient te worden ‘dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd’ (Rom.3:2b). Een gepast lied op de lezing van de Tien Geboden is Psalm 119 maar ook de berijming van de Tien Geboden uit de ‘enige gezangen’ waarbij schuldbe-lijdenis en genadeverkondiging elkaar afwisselen. Laat ons niet vergeten dat de wet van God heilig en goed is en dat de mens sterven moet door de wet aan de wet. Het achterwege laten van de wet is daarom een vorm van dodelijke zelf-rechtvaardiging (vgl. Luk.18:9-14). In de avonddienst doet de christelijke ge-meente in gemeenschap met de wereldwijde kerk belijdenis van het/haar geloof. Ds. A. de Lange schrijft: ‘Als je niet oppast, hoor je de woorden niet eens meer. Toch is het nuttig als steeds weer dezelfde geloofsbelijdenis klinkt.’ (In: P.J. Ver-gunst, A.w., p. 40). Onze liturgie is voorspelbaar, dat wil zeggen: praktisch ieder meelevend gemeentelid weet wat er op welk moment komt. Ds. J.A.W. Verhoeven schreef ooit: ‘Herhaling leidt tot verveling. Maar [!] niet in de liturgie.’ ‘Daar functioneert herhaling als hartslag: het geeft je leven grond onder de voeten.’ ‘Woorden van God leren ons te gedenken. Ze bewaren ons bij het heil dat nooit vergaat. Liturgie bewaart ons bij Hem.’ (Ibid., p. 12). Vergeet dat niet. Daarom verveelt liturgie nooit al is ze tot op zekere hoogte voorspelbaar. Waarom weke-lijks dezelfde geloofsbelijdenis? Opnieuw ds. A. de Lange: 1. Ze houdt de gemeen-te voor wat het bijbelse geloof is; 2. ze legt de link met de kerk die vóór haar leefde en samenkwam in dit geloof; 3. ze is een hernieuwing van de geloofsbelij-denis voor ieder die eerder geloofsbelijdenis deed; 4. ze is onderwijs voor de kin-deren en voor nieuwelingen.’ (p. 41). In de kerkdiensten van Calvijn werd de ge-loofsbelijdenis, evenals de Tien Geboden, vaak gezongen. Onze ‘enige gezangen’ lenen zich ertoe.

 

Gebeden

In het formulier voor bevestiging van dienaren van het Goddelijke Woord staat: ‘In de tweede plaats houdt het herdersambt in namens de gemeente in het open-baar Gods naam aan te roepen.’ De gebeden doen er toe en zijn niet slechts een opvulling van de tijd. Wie naar de kerk gaat, doet dat onder meer om tot God te bidden. Wij bidden overigens niet alleen in de gebeden, want in het zingen bid-den we ook. Zingen is, naar een woord van Augustinus zelfs ‘dubbel bidden’. Het gebed loopt met andere woorden door heel de dienst als een rode draad heen. ‘Het gebed is voor ons een gebod. Weliswaar weet God al lang wat wij nodig heb-ben (Mat.6:8). Maar Hij verlangt naar ons gebed.’ (Oskamp en Schuman, A.w., p. 217). Ons gebed gaat aan de lezing van Gods Woord vooraf. Soms gebeurt het omgekeerd. Principieel is het echter juister om eerst te bidden, want ‘We openen de Bijbel met handen die eerst door het gebed geheiligd werden.’ (A.J. Mensink, In: P.J. Vergunst, A.W., p. 51). In het zogenaamde eerste ‘grote’ gebed dient de schuldbelijdenis een prominente plaats in te nemen. Met Calvijn erkennen we coram Deo (‘voor Gods aangezicht’) onze onwaardigheid. Ds. A.J. Mensink vraagt in zijn bijdrage af of het klopt dat in het ‘eerste gebed’ in de eredienst ‘steeds minder schuld beleden wordt?’ (p. 48). Dat is niet zonder reden. Het kan er zo-maar van komen dat het Godsbeeld en het mensbeeld op deze manier devalue-ren. De notie van onze zondigheid kan niet voldoende benadrukt worden. Wij na-deren immers tot een volmaakt heilige God. Het moge duidelijk zijn dat de voor-ganger die de dienst der gebeden verricht niet in de ‘ik-vorm’ bidt, want de voor-ganger is de mond van de gemeente en daarbij past de ‘wij-vorm’. Hiernaast is het belangrijk om op te merken dat de dienst der gebeden grote aandacht en voorbereiding vereist. ‘In onze tijd is het bijna overal de gewoonte dat de gemeen-te zittend bidt. Het is nog niet zo lang geleden dat het gebruikelijk was dat de mannen bij de gebeden gingen staan en de vrouwen bleven zitten. Dit gebruik is in vrij korte tijd bijna overal verdwenen. [Soms gebeurt het zelfs dat kerken-raadsleden niet eens meer gaan staan.] Ook dit is… een teken dat in de liturgie soms bijna ongemerkt allerlei verschuivingen in de gewoonten plaatsvinden.’ (M.J.G. van der Velden, A.w., p. 28). In het ‘grote’ gebed is het gebed om de ope-ning van het Woord van groot belang. Wij zijn steil en diep afhankelijke mensjes. Het gebed past: ‘Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest’ (Ps.119:3, ber.). De voorganger kan Gods Geest niet missen, de gemeente evenmin. We bidden om de leiding van de Heilige Geest, opdat bij de lezing en bij de verkondiging van het Woord harten geopend en geraakt mogen worden, met de bede ‘Verlicht ons hart, dat duister is’ (Morgenzang vers 5). Wij kunnen over de Heilige Geest niet be-schikken, maar we zijn er wel verlegen om. En onze verlegenheid, is Gods gele-genheid. We mogen grote verwachting van het gebed hebben, daarom eindigt het altijd weer met ‘amen’ als een belijdenis op de grootheid en goedheid van God. In dit ‘grote’ gebed of in het dankgebed na de preek heeft de voorbede een plaats. Men kan er voor kiezen om de voorbede na de preek te plaatsen. Het voordeel van de voorbede vóór de preek is dat het antwoord op de prediking kort en krach-tig kan zijn. Bedenk als laatste dat het gebed niet bedoeld is als een informatie-brief. Gebed, wij zijn onbekwaam, maar de Heilige Geest maakt bekwaam en bidt met onuitsprekelijke zuchtingen (Rom.8:26).

 

Schriftlezing en preek

Die twee… vormen een eenheid, daarom is het begrijpelijk dat de collecten [=geven is teruggeven] soms direct na de preek plaatsvinden of voor de slot-psalm. Het verrast overigens ook wanneer dr. M. van Campen schrijft: ‘Het cru-ciale moment van de protestantse eredienst is de Schriftlezing.’ (In: P.J. Ver-gunst, A.w., p. 52). Velen zullen waarschijnlijk met catechisanten antwoorden dat de preek het belangrijkste onderdeel van een kerkdienst is. Mogelijk omdat een preek doorgaans de meeste tijd in beslag neemt. Het klopt evenwel niet. Niet voor niets ligt in protestantse kerken een geopende Bijbel op de kansel. De re-formatoren hebben het Woord van God – en niet het altaar – weer in het middel-punt gezet. Tijdens het ‘openen’ van het Woord gebeurt er wezenlijk iets: God komt op een bijzondere wijze aan het Woord. Hier geldt: doe uw schoenen van uw voeten. De Schriftlezing heeft een unieke plaats in de eredienst en is niet als een opstapje tot de preek. Na de Schriftlezing – al dan niet onderbroken door lied en collecten – volgt de preek. Over de prediking zou veel te zeggen zijn. Iedereen heeft er wel een mening over. Niet zonder reden sprak dr. K.H. Miskotte over ‘het waagstuk van de prediking’. Ga er maar aan staan voor een gemeente met kin-deren, jongeren, ouderen, bekeerden en onverschilligen, laag-geletterden en in-tellectuelen, gehuwden en ongehuwden, jongens en meisjes, mannen en vrou-wen, denkers en doeners, enzovoort. De een wil meer aandacht voor kinderen, de ander vraagt aandacht voor diepgang en bevinding in de prediking en een derde wil vooral praktische prediking. Er rust een zware taak op de schouders van voorgangers, en het bevestigingsformulier voor dienaren van het Goddelijke Woord onderstreept dat door te stellen: ‘In de eerste plaats moet hij de Heilige Schrift grondig en naar waarheid aan de gemeente uitleggen en toe-eigenen, zo-wel aan allen als aan ieder persoonlijk. Hij zal dit tot heil van de hoorders moe-ten doen, door te onderwijzen, te vermanen, te vertroosten en te bestraffen, naar dat ieder nodig heeft, door de bekering tot God en de verzoening met Hem door het geloof in Jezus Christus te verkondigen, en door met de Heilige Schrift alle dwalingen en ketterijen die tegen de zuivere leer strijden te weerleggen.’ Hier-naast wijst dr. T. Brienen erop dat in de prediking ‘het gehéle Woord van God in al zijn facetten naar voren komt in de samenkomsten. De totale boodschap van het O.T. en N.T. moet doorklinken, zodat we behoed worden voor eenzijdigheden.’ (A.w., p. 88). De moed zou je bij voorbaat in de schoenen zinken, want welke voorganger met zijn eigen eenzijdigheden is tot deze dingen bekwaam? Daarom vraagt Paulus aan de gemeente van Efeze om voorbede voor hem, opdat hij met vrijmoedigheid de verborgenheid van het Evangelie aan de gemeente bekend mag maken (vgl. Ef.6:19, zie ook E. Gouda, Gebedsdagboek. 35 thema’s voor meditatie en gebed. Apeldoorn 2017, p. 73). Uw gebed is nodig en noodzakelijk. Ds. W.L. Tukker, destijds predikant in Bleskensgraaf, kon tijdens de voorbereiding van de dienst op zondag merken dat de gemeente voor hem in gebed verzonken was. Dat was ook de reden waarom Spurgeon zoveel zegen op zijn prediking ervoer. De prediking is niet iets van de voorganger of van de kerkenraad alleen, maar gaat de hele gemeente aan. Samen zijn we hiervoor verantwoordelijk. En bedenk bij het vele wat er nog over de prediking te zeggen zou zijn, tekstkeuze, leerdiensten en bediening van de sacramenten, dat het hart van de prediking gevormd wordt door de prediking van de Ene Naam; Jezus Christus tot verzoening van de schuld. Het is aangrijpend dat tijdens de prediking van het heilig Evangelie het hemelrijk ontsloten en toegesloten wordt (HC31). Er gaat een deur open of dicht. Mensen hebben het vaak over een mooie preek of geen mooie preek of alles wat er tussenin zit. ‘Een preek is pas mooi en goed als er wat gebeurt [schrijft ds. G. Boer]: als er mensen in het Koninkrijk der hemelen worden gezet en als er men-sen buiten worden gezet, want daar gaat het om.’ (Gecit. in: P.J. Vergunst, A.w., p. 63; vgl. C.A. van der Sluijs, Aarde in hemels licht. Prediking en verzoening in seculiere tijden. Kampen 2017). Tijdens de prediking vallen er eeuwigheidsbeslis-singen! Bent u zich van die ernst bewust?

 

Zegen

Voordat de samengekomen gemeente huiswaarts keert, ontvangt zij de zegen. Het is jammer dat, zoals bij meer onderdelen van de liturgie, niet echt goed be-grepen wordt waar het nu feitelijk om gaat. Voor een stokdove man in Friesland vormde de zegen als laatste onderdeel van de dienst het hoogtepunt van de litur-gie. Vlak voordat de predikant de zegen uitsprak, liep de stokdove man snel naar voren, hield zijn hand aan zijn oor en ving daar de zegenwoorden van de predi-kant op. Velen begrijpen deze man niet, want menigeen ontvangt de zegen terwijl men de jas dichtknoopt of bezig is met andere dingen. Het getuigt van weinig eerbied en hoogachting voor dit heilig moment aan het eind van de dienst. Hoe komen wij aan de zegen? In Numeri 6 krijgt Mozes de opdracht om tot Aäron en zijn zonen te spreken, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israëls zegenen (Num.6:23b). De taak van de (hoge)priester is onder meer zegenen; het uitspre-ken van de zegen is in de Protestantse Kerk in Nederland beperkt tot de in het ambt bevestigde predikanten (vgl. Ord. 5.5.2). De priester in het Oude Testament vertegenwoordigde God bij het volk. Hij mocht goede woorden over het volk uit-spreken of de NAAM op het volk leggen. Daarbij rusten de handen als het ware op alle hoofden van het volk; op de hele verzamelde gemeente. Zo mogen ook wij aan het eind van de eredienst de zegen ontvangen. De zegen in de Bijbel is meer dan een wens of een bede. ‘Zegen is een effectieve kracht ten goede.’ (Oskamp en Schuman, A.w., p. 258). De zegen heeft iets voortdurends. Steeds weer ontvangt u de zegen. U gaat als een gezegend mens de kerk uit. ‘De ontmoeting met God heeft plaatsgehad, de ernst en de vreugde daarvan is hun leven weer binnenge-komen, de zegen van de evangelieverkondiging is hun geschonken, ze hebben gezongen, gebeden en beleden. De zegen aan het einde [als een zekere belofte] onderstreept dat alles.’ (M.J.G. van der Velden, A.w., p. 40). Gezegend zijn bete-kent echter ook de roeping en opdracht om een zegen te zijn voor anderen. De HEERE zegene u, en behoede u! De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!

 

Laat ik eindigen met een cri de coeur: Wij leven in een dynamische tijd. Alles is aan verandering onderhevig. Ook in liturgisch opzicht kan er veel veranderen. Wij zien ook onder ons hoe de traditionele manier waarop de kerkdiensten wor-den gehouden steeds meer onder druk komt te staan. Een goede regel is: wij houden niet van het oude omdat het oud is, en wij streven het nieuwe niet na omdat het nieuw is. Beide aspecten gelden ook voor de eredienst. Er is een ma-nier waarop wij star de oude vormen koesteren zonder dat wij verstaan waartoe zij dienen. Wij blijven met de lege huls achter zonder een hart dat naar God vraagt. Laten wij ook niet van onze vernieuwingen heil verwachten. Ook niet als de nood van de tijd ons ertoe schijnt te dringen. De geestelijke crisis waarin wij verkeren als volk en als werelddeel en als kerk is te groot, dat wij die kunnen oplossen met wat liturgische veranderingen. ‘Het zijn [uiteindelijk] niet onze in-stituten, organisaties, grote geleerdheid en liturgische vernieuwingen die een kerk levend houden’ (J.C. Ryle).

 

Ds. E. Gouda, 23 november 2017©

 

Vragen & stellingen

1. Wanneer begint voor u de kerkdienst?

2. Maakt u weleens andere kerkdiensten mee dan klassiek gereformeerde? Welke overeenkomsten/verschillen ervaart u dan?

3. Stelling: ‘Luisteren naar een preek is problematisch aan het worden’!

4. Hoe zorgen we ervoor dat we positief over de eredienst blijven denken en spre-ken?

5. Stelling: ‘De zegen aan het einde vormt het hoogtepunt van de eredienst’!

Laatst aangepast op vrijdag 05 januari 2018 16:52
 

Agenda

<<  September 2018  >>
 zo  ma  di  wo  do  vr  za 
        1
  2  3  4  5  6  7  8
  91011121415
161718
232529
30      

We(r)kwoord

Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat maar het eeuwige leven heeft. Joh 3:16

 

Diensten

Zondag: 10.00 - 11.30uur
Zondag: 18.30 - 20.00uur

Locatie

Lekdijk 118
Nieuw-Lekkerland

Postadres

Scriba A.M. Versteeg
Roerdomp 48
2957 NE Nieuw-Lekkerland